Home Interview Het geloof mag onze verbondenheid niet in de weg staan’

Het geloof mag onze verbondenheid niet in de weg staan’

door skempenaar

Ze groeiden op in hetzelfde streng kerkelijke gezin, maar kozen een andere weg dan hun ouders. Jolanda heeft een liefdevolle God leren kennen, Ad kan zich niets bij een God voorstellen. Qua geloofsbeleving liep hun weg uit elkaar, maar deze broer en zus lieten elkaar niet los. De warmte spat er vanaf. Hun band verdiepte over de jaren.

Ad en Jolanda Kromhout zijn de middelste kinderen in een gezin van vijf. Ze hebben twee oudere zussen, en na Jolanda komt er nog een jongere broer. Ze groeiden op in een hardwerkend middenstandsgezin in Rijnsburg, waar hun ouders een kwekerij en later een bloemenwinkel hadden. Ad (53) is getrouwd en heeft twee kinderen, Jolanda (51) is alleengaand.

Hoe ging het eraan toe in jullie gezin van herkomst?

De herinneringen borrelen op bij broer en zus. Ze zijn het roerend eens: “We moesten in het stramien lopen,” begint Jolanda. “Vader was ouderling in de kerk en het moest er voor de buitenwereld goed uitzien.” Ad gaat verder: “We zaten op een zondag vooraan in de kerk, we hadden een voorbeeldfunctie. “Ja, moeder deed het raampje dicht als we aan de keukentafel ruzie hadden,” gaat Jolanda verder. “De buren mochten dat natuurlijk niet horen!” Ad moet lachen: “O, was dat daarom? Dat heb ik me nooit gerealiseerd!”

Ik hoor geen bittere toon bij jullie…

 “Ach, dat ging toen zo,” relativeert Ad. “Ze werkten hard in het bedrijf en hadden ook weinig anders geleerd, zo was vader de oudste in een groot gezin waar een ijzeren discipline heerste.” Jolanda vindt dat te gemakkelijk weggewuift. “Jij hebt ook geen goed voorbeeld gehad, maar jij hebt wel veel liefde en aandacht voor je gezin. Jij doet het wél anders!” Ad haalt zijn schouders op: “Dat is toch normaal?”

Hoe gingen jullie ermee om, met de thuissituatie?

Ad schokschoudert en zegt richting Jolanda: “Jij trok het je meer aan. Ik zorgde gewoon dat ik me wat aan de regels hield, en ging verder m’n eigen gang.” Jolanda reageert nu feller: “Voor jongens golden andere regels dan voor meisjes. Jij was de oudste zoon, en was sowieso een verwend jongetje!” Ad grinnikt, en stemt grif toe: “Ja, jullie hadden het moeilijker.” Jolanda gaat verder: “Ik besloot om zo snel mogelijk uit huis te gaan. Ik was ook veel banger voor onze vader. Hij kon kíjken, die ógen! En dan sloeg hij, ‘bam’! heel hard met zijn vuist op tafel.”

Heeft het jou, Jolanda, niet van het geloof afgehouden?

“In mijn tienertijd stond het geloof ver van me af, maar rond mijn achttiende kwam ik in een crisis toen een jongen de verkering uitmaakte. Ik was er kapot van. Mijn moeder moedigde me toen aan om eens naar de jongerengroep van onze kerk te gaan. Daar proefde ik liefde en dat ik mezelf mocht zijn. Toen heb ik op een avond gezegd: “God, als u er bent, wilt u dan laten zien dat u bestaat. Vervolgens voelde ik zoveel vrede. Het was voor mij een wezenlijke ontmoeting; het legde een nieuwe basis onder mijn leven.”

Jullie gingen nauw met elkaar om, maar jij ging niet naar die jongerengroep, Ad?

“Nee,” klinkt het, als vanzelfsprekend. “Ik had mijn voetbal- en uitgaansvrienden. We moesten mee naar de kerk, maar ik leefde in een heel andere wereld. Ik ken Jolanda haar verhaal, maar het is haar beleving. Ik heb er niets mee.” “Toch geloof je wel in een God,” valt Jolanda hem in de rede, “want toen we een keer over Israel spraken, zei je dat er wel een God zou moeten zijn.” Ad erkent: “Ja, dat zo’n klein landje, omringt door al die grote vijandige landen nog steeds bestaat, dat is bijzonder. Maar met God heb ik niets,” vervolgt Ad. “Ik luister naar je verhaal, maar het raakt mij gewoonweg niet.” “Ja, dat weet ik,” knikt Jolanda. “Ik kan jou ook niet bekeren.”

Jullie lijken een goede band te hebben. Is dat altijd zo geweest?

Ze buitelen nu met hun woorden over elkaar heen, vullen elkaar aan en maken elkaars zinnen af. Zo te horen waren ze onafscheidelijk. “We gingen altijd samen naar het zwembad… en samen bij opa en oma logeren… en, weet je nog… op de camping… o, ja! in de kantine speelden we de spelletjes mee…” Ook in hun tienertijd hielpen ze elkaar en Ad zegt lachend: “Jij was altijd veel drukker, en dat is met de jaren alleen maar erger geworden!” Hij voegt er met een plagende ondertoon aan toe: “Ik ben ouder, wijzer en bedachtzamer!”

Heeft het geloof nooit tussen jullie in gestaan?

“We hebben wel door dingen heen gewerkt over de jaren,” vindt Jolanda. “Ad kon het geloof belachelijk maken. Zo maakte hij altijd grapjes van de teksten op de EO-kalender die bij moeder in de wc hing. Vooral als hij dan samen met zijn broer was, konden ze er wat van!” Ad wuift het lachend weg. “Welnee! Dat was gewoon humor! Daar bedoelden we niks mee!” Het verschil in beleving is er nog steeds, want Jolanda reageert: “Die grapjes kwetsten me, je maakte iets wat dierbaar voor me is belachelijk.” Ad haalt zijn schouders op. “Het was gewoon humor,” herhaalt hij. “We bedoelden het niet kwaad. “Zie je wel,” zucht Jolanda, “je begrijpt het nog steeds niet, maar je bent wel zachter geworden.” Dan vertelt Jolanda over de begrafenis van hun moeder, en hoe bijzonder ze het vond dat zowel haar broers als zussen, gelovig en ongelovig, een onderdeel van de kerkelijke uitvaart op zich namen. “Maar dat is toch normaal, Jolanda, dat hoorde toch bij moeder. Dat doe je toch gewoon uit respect voor haar?”

Ad, wat vind je van God en geloof?

“Die grapjes, waar Jolanda het over heeft… ja, we staken er de draak mee, maar dat was onschuldig bedoeld. Andere dingen vind ik wel echt belachelijk. Op de verjaardag van moeder, zaten we in de tuin en kwam het zonnetje achter de wolken vandaan. Mijn oudere zus zei toen, ‘Kijk, moeder, God houdt van je, hij laat het zonnetje voor je schijnen.’ Dan zeg ik ‘jullie slaan door’ want de zon gaat op en onder voor iedereen. Als er een God zou zijn, dan is het geen Sinterklaas-God, zo van: ‘wie zoet is, krijgt lekkers en wie stout is de roe.’ Met de hemel om je zoet te houden, en de hel als een stok achter de deur.” Jolanda gooit daar tegenin: “Jij reageert nog steeds vanuit die straffende God die we in ons gezin meemaakten.” De opmerking lijkt aan Ad voorbij te gaan, en vooral wat gelovigen betreft, wil hij nog meer kwijt. “Mijn ervaring met christenen is, als je niet gelooft, dan hoor je er niet bij. Dat snap ik niet. Ze gaan anders met je om of negeren je. Ik word hier regelmatig met de nek aangekeken. Dat is toch geen christelijke boodschap! Dat snap ik niet. Dat vind ik raar, heel raar. En dan de schijnheiligheid, nee, van mij hoeft het allemaal niet.”

Zie je in je zus iets terug van Christus?

De vraag overvalt hen beiden een beetje. “Ja, Ad, zie je daar iets van?” moedigt Jolanda aan. Het is even stil. “Nou nee, niet echt,” zegt Ad, wat aarzelend. “Het geloof hoort gewoon bij je.” Dan gaan de grapjes opnieuw over en weer: “Heb ik geen aureool boven mijn hoofd?” “Nee, en je hebt ook geen engelen-vleugeltjes!”

Dan zegt Jolanda op serieuze toon: “Soms vind ik het moeilijk dat ik het meest dierbare wat ik heb niet ten diepste kan delen. Ik ben altijd deel van dit gezin geweest en dat is kostbaar voor mij. Ik bid wel regelmatig voor je,” vervolgt ze en kijkt richting haar broer, “Ik weet niet hoe het allemaal zit, maar ik zou jou graag later bij God terug willen zien. “Misschien ben ik daar wel,” glimlacht Ad en zegt met zachte blik in zijn ogen: “Waarom zou je me daar niet treffen, Jolanda? Maar of het hiernamaals bestaat? Ik weet het niet.”

Hebben jullie nog tips voor anderen in soortgelijke situaties?

Jolanda: “Ik heb over de jaren geleerd om veel opener over mezelf te zijn, ook over wat ik met God beleef.” Ad voegt toe: “Ik zou zeggen: Ga met respect met elkaar om en laat iedereen in zijn waarde.” “We laten het geloof niet tussen ons instaan,” vervolgt Jolanda, “want we beseffen de rijkdom van onze liefde voor elkaar en de verbinding als broer en zus.”

Reageren

* Door dit formulier te gebruiken, gaat u akkoord met de opslag en verwerking van uw gegevens door deze website.