Home Gedicht De hand die…

De hand die…

door skempenaar
De hand die

Tekst: Douwe Janssen

 ‘Wacht hij op mijn oordeel?’

Wie een gevangene opzoekt, zoekt Jezus op. Wie een gevangene zoekt, vindt Jezus.
Woorden, ooit in een preek gehoord, hebben zich vastgehaakt aan mijn hart.
En nu ga ik.

‘Vind je het echt nodig?’ vraagt mijn vrouw.
‘Je weet niet wat voor persoon het is en je hoort…’
‘Laat me maar, ik ben voorzichtig.’
In plaats van twee zoenen geef ik haar er drie.
Onderweg ben ik in gedachten. In het rapport dat ik gelezen heb, stond iets over het gebeurde. En nu zou ik… Je zou ’m toch! Hoe kon hij?

De wijk die ik binnenrijd, geeft me een mistroostig gevoel. De gordijnen zijn in de straat waar ik moet zijn bijna overal dicht. Nergens zie je mensen zitten. Degene die ik wil bezoeken, heeft tbs en woont onder toezicht.
Na diep adem te hebben gehaald, druk ik op de bel. Het klinkt hol in de gang.
De deur gaat open en ik druk de mij toegestoken hand.
De hand die…
Niet aan denken nu.
Ik vertel aan de man voor mij in het kort wie ik ben. Ook dat ik niet gekomen ben om de rechtszaak over te doen. Maar dat ik er voor hem wil zijn en naar zijn verhaal wil luisteren, als hij daarover wil praten.
Als we zitten, neemt de man mij op, daarna volgen zijn ogen een onzichtbare mug op het plafond.
Ik luister.
Ik voel dat de man mij af en toe observeert. Probeert hij iets af te lezen van mijn gezicht? Wacht hij op mijn oordeel?
Als hij is uitverteld, kijkt hij mij aan. Ik laat de stilte hangen en zeg dan: ‘Dat is een heel verhaal.’

We zijn een klein jaartje verder.
Soms kijken we terug op het gebeurde.
Een andere keer kijken we naar mogelijkheden om alles weer op de rails te krijgen.
Veel gehad hebben en dan met lege handen staan, valt niet mee.
Eten halen bij de voedselbank. Kennissen die zich omdraaien als je eraan komt.
In gesprekken met hulpverleners altijd opnieuw jezelf blootgeven.
Is er wroeging, spijt of berouw? Of zelfmedelijden? En is het vooral de schuld van de ander…?
We proberen er in de gesprekken aandacht aan te geven.
Ook dat er een tijd was waarin geloof een plek had.
Na elk bezoek rapporteer ik hoe de gesprekken verlopen.

Soms, onder het tikken van het verslag, gaat het door mij heen: ‘Wie meent te staan, moet oppassen niet te vallen.’

Mooier dan ik het nu zeg, las ik het in de laatste zinnen van de preek waarmee ik dit verhaal begon: ‘Ik schud de hand en bedank degene die ik opzocht. Bedank hem dat ik zo dichtbij mocht komen. En dat ik daardoor dichter bij Jezus ben gekomen. Dat ik daardoor dichter bij mijzelf ben gekomen, dichter bij mijn nieuwe ik.’

Reageren

* Door dit formulier te gebruiken, gaat u akkoord met de opslag en verwerking van uw gegevens door deze website.