Home Interview ‘Loslaten is het állermoeilijkste in het leven’

‘Loslaten is het állermoeilijkste in het leven’

door Daniëlle Heerens

Lubbert en Jannie van Wieren verloren dertien jaar geleden hun 23-jarige zoon Rinse bij een verkeersongeluk veroorzaakt door een andere weggebruiker. De pijn van het gemis is er nog elke dag. Ze vertellen waarom ze desondanks hun leven niet laten beïnvloeden door wrok en boosheid.

Wat is jullie precies overkomen?
‘Het is 27 juli 2006, een heerlijke zomermiddag in Friesland. Rinse drinkt koffie met zijn ouders in de tuin. Hij geniet van twee extra vrije dagen. Hij ziet de koolmezen uitvliegen, het jonge leven dat hij zo prachtig vindt. Als Rinse zich gaat omkleden om een motorrit te maken, kijkt Lubbert hem na. En dan ziet Lubbert in een huiveringwekkend visioen opeens een grafsteen staan in de tuin.

‘Ik schrok enorm,’ vertelt Lubbert. ‘Ik ben vroeger toen ik 18 was mijn jongere zusje verloren, mijn andere zus raakte bij dit ongeluk zwaar gewond, dus ik bad: God, laat niet bij ons gebeuren wat bij mijn ouders is gebeurd. Maar het moment ging voorbij. Ik heb het Rinse niet verteld. Hij had het toch weggelachen.’

‘We hadden een maand geleden nog nagepraat over de begrafenis van mijn moeder, die een jaar eerder had plaatsgevonden’ vertelt Lubbert. ‘‘Ik vond het een mooie begrafenis,’ zei Rinse. Dat wil ik later ook wel zo, alleen dan niet dat koffiedrinken met cake. Bij mij moeten de vrienden dan maar bij mij thuiskomen voor koffie of een pilsje.’ Op die mooie middag in juli hadden we zo een gesprek over sterfelijkheid. En over Rinses doodzieke vriend met botkanker, die hij regelmatig bezocht en belde. ‘Je hebt het op jouw leeftijd over doodgaan!’ zei Jannie. ‘Ja, mem, ik heb een vriend die doodgaat. Maar ík kan ook doodgaan!’ zei Rinse toen. ‘We worden niet allemaal tachtig…’ We wisten niet dat deze woorden diezelfde dag nog bewaarheid zouden worden.’

Het was een mooie middag, en Rinse besloot een ritje op de motor te maken. Lubbert zag hem na toen hij de trap af liep in z’n motorpak. Een knappe kerel, met zijn karakteristieke kop. ‘Je kunt zó het leger in,’ zei Lubbert. ‘En me dan dood laten schieten zeker? Ik niet!’ was Rinses reactie.

‘Rinse bleef erg lang weg, verscheen niet op z’n avondwerk, en nam z’n telefoon niet op. Niemand wist waar Rinse was,’ vertelt Jannie. Lubbert weet dan al wat er aan de hand is: ‘“Rinse is dóód, Jannie!”’ zei ik, en ik vertelde haar over mijn visioen. Bij elke auto die de straat in reed sloeg ons hart even over.’ Jannie: ‘Maar je weet: dat moment komt, dat het de politie is.’

De politie kwam, met de mededeling: ‘Uw zoon is omgekomen bij een verkeersongeluk, hij was op slag dood.’ Jannie en Lubbert moeten hun zoon gaan indentificeren in het mortuarium. ‘We werden daar opgevangen door een dominee. En daar zagen we onze zoon liggen. Hij was schoon, hij was nog warm… en je begrijpt het niet. Daar ligt je kind,’ zegt Jannie verdrietig.

Jannie raakte bij thuiskomst in een shock. ‘Het is ook zo heftig, het is niet te bevatten. ’s Middags drink je nog koffie met je zoon. En je bidt zelfs dat God je dit niet laat overkomen, maar het gebeurt nog dezelfde dag,’ zegt Lubbert. ‘De dag van het ongeluk zat ons hoofd zó vol. Het was al laat en ik dacht: we móeten gaan slapen, want morgen krijgen we een hele zware dag. We hebben gebeden: “Laat ons slapen.” Direct daarna zijn we in slaap gevallen. Heel bijzonder, we werden de volgende morgen wakker met onze handen nog in elkaar.’

Wisten jullie wie de dader was?
‘Al in de week voor de begrafenis kwamen we te weten wie Rinse had aangereden. De dader is een man uit de omgeving. Hij werd onwel, reed toch door en verloor de macht over het stuur. Hij raakte met zijn busje op de andere weghelft en botste op een tegemoetkomende auto. Rinse zat daartussen met zijn motor en had geen schijn van kans. We wilden hem graag ontmoeten, maar de dader was ernstig overstuur, had hartklachten.’

Lubbert: ‘We hebben de man en zijn vrouw toch nog voor de begrafenis ontmoet. Ze bleken er mentaal vreselijk aan toe. Het enige wat we konden doen, was hen in onze armen sluiten, en samen huilen. Ik had niet in de schoenen willen staan van dit hoopje ellende van een man. Wij missen onze zoon, maar hij heeft het gedaan! Daar moet hij mee leven.’ Met deze mensen konden Lubbert en Jannie alleen maar mededogen hebben. Wraakzucht leek hier niet op z’n plaats: de dader had al een ‘levenslange straf’.

‘We hebben hun gevraagd op de begrafenis te komen. Dat deden ze uiteindelijk ook. We hebben buiten de dominee verder niemand verteld dat ze aanwezig zouden zijn. We hebben in de dienst ook gebeden om kracht voor de dader.’

Hoe stonden jullie tegenover God, die dit had laten gebeuren?
Lubbert: ‘“De dea hat net it lêste wurd” was de tekst op Rinses rouwkaart en het staat ook op zijn grafsteen: De dood heeft niet het laatste woord.’ Jannie: ‘Wij geloven dat God het laatste woord heeft en niet de dood. We hebben beiden het woord gevoerd in de dienst.’

‘De dominee bad in de dienst: “Heer, laat Uw Trooster komen.” Want je stikt bijna in het verdriet,’ zegt Lubbert. ‘En de Trooster kwam! Terwijl Jannie het gedicht voorlas, kreeg ik een zeer intense ervaring van de aanwezigheid van God. Er verscheen een bol van vuur boven de hoofden van de mensen. Deze kwam recht op mij af en ging bij mijn hart naar binnen. Het klinkt vreemd, maar ik heb me nog nooit van m’n leven zo gelukkig gevoeld als op dat moment! Ik keek naar Rinses kist en er kwamen zo’n rust en vrede over me.’ Jannie: ‘We keken elkaar aan en zagen dat we net hetzelfde hadden meegemaakt.

We zeiden tegen elkaar: “Onze jongen mocht niet lang bij ons zijn. We mochten vier kinderen ontvangen, maar ze zijn niet ons bezit. Als het tijd is om dat af te staan, dan moet je loslaten.” Loslaten is het állermoeilijkste in het leven. En je kind dat is je alles. Toen we de kerk uit kwamen bleken nog meer aanwezigen diezelfde bijzondere troostende ervaring te hebben gehad. Zelfs mensen die helemaal niet in God geloofden. Ondanks het enorme verdriet, voelden ook zij zich wonderlijk gelukkig.’

‘We kregen slachtofferhulp aangeboden’ vertelt Jannie. ‘Dat we geen boosheid voelden, vonden ze maar onnatuurlijk. Maar we zijn nooit boos geweest op God. Waarom zouden we? Wij moesten ook een kind afstaan, en nu voelen we aan den lijve hoe zwaar God het moet hebben gehad toen Hij Zijn onschuldige Zoon liet sterven voor wat wij verkeerd hebben gedaan. God is een en al liefde. Maar dat vonden ze maar makkelijk praten. Ook sommige mensen in het dorp begrepen ons niet. “Dood is toch dood, je zoon krijg je nooit meer terug, zeiden ze dan.”’

‘De man van slachtofferhulp dacht al snel dat we zijn hulp verder niet nodig hadden,’ vertelt Lubbert. ‘Hij gaf te kennen onder de indruk te zijn van de manier waarop wij in het leven stonden.’

‘Er is bij ons geen boosheid, want al onze dagen zijn immers in Gods hand. Rinse had diezelfde middag nog gezegd: “Ook ik kan doodgaan.” En hij had zo gelijk. Dat heeft veel uitgemaakt voor de acceptatie van wat ons is overkomen. Wij hebben het allebei volop in de familie meegemaakt bij broers en zussen, dat je zo weg kunt zijn, op jonge leeftijd al. Het besef is groot dat we niet allemaal oud worden. Die jongen van ons was daar ook heel nuchter in.’

Toch moet dit een grote impact hebben gehad op jullie relatie en gezin.
Jannie: ‘Hoewel het verdriet ons nog regelmatig aanvliegt, hebben we er wel altijd over kunnen praten. Gelukkig maar, want we weten dat echtscheiding veel voorkomt na overlijden van een kind. We voelen het verdriet allebei op onze eigen manier en op onze eigen momenten, en dat hebben we elkaar gegund. Door elkaar die ruimte te geven zijn we alleen maar meer naar elkaar toe gegroeid.’

‘Onze andere zoon en onze twee dochters hebben het ook jarenlang zwaar gehad met het verlies van hun broer. Zo droeg onze zoon Rinses kleren, sliep in z’n bed en wilde motorrijden in Rinses pak. Dat was soms heel confronterend, maar we hebben onze kinderen de ruimte en tijd gegeven voor hun eigen verwerking. We hebben hun heel bewust ook troost en aandacht gegeven. We wilden onze liefde voor hen vooropstellen in plaats van onze angst.’

Werd de dader veroordeeld voor het ongeluk dat hij veroorzaakt had?
Anderhalf jaar na het ongeluk kwam de rechtszaak van de dader voor. Lubbert en Jannie hadden geen behoefte om daarbij aanwezig te zijn. Wel wilden ze – op afstand – op de hoogte blijven van de rechtszaak. Maar dat liep anders.

Jannie: ‘Toen ik op bed lag, verscheen Rinse mij opeens levensecht in een droom, en hij zei: “Mem, moet pleiten voor de dader. Jullie kunnen nu nog wat voor hem doen.” De volgende nacht verscheen Rinse weer met de boodschap: “Mem en heit kunnen nu pleiten voor de dader, want we moeten vergéven.”’

‘Na de derde nacht waarin Rinse verscheen dacht ik: hier moet ik wat mee. Tegen Lubbert zei ik: ‘Ik ga de officier van justitie bellen, met de mededeling dat wij willen pleiten voor de dader.’ Een paar dagen voor de rechtszaak hebben we een ontmoeting gehad met de officier. We waren emotioneel, maar we hebben uitgelegd wat we wilden. De officier van justitie had dit nog nooit meegemaakt: dat iemand wilde pleiten voor strafvermindering voor een dader. “Maar,” zei ik, “God is een God van liefde en Hij wil dat we vergeven.” Het maakte indruk op hem; hij moest z’n hele pleidooi herzien. Normaal gesproken vinden slachtoffers geen straf hoog genoeg.’

Jannie: ‘Tijdens de zitting mochten we een slachtofferbetoog houden. Iets waar we erg tegen opzagen. Om Rinse heb ik het toch gedaan. Ik heb een getuigenis gegeven van de vergeving die Christus geeft. Dat we moeten leren om te handelen vanuit die liefde en niet uit wrok en haat. Lubbert vertelde daarna hoe we de bewuste dag beleefd hadden. Het was muisstil in de rechtszaal, alsof de wereld even stilstond. Er waren ook andere mensen die getuigen waren geweest van het ongeluk. Voor hen was het anders, zij waren echt getraumatiseerd. Wij hebben gelukkig niet gezien wat zij hebben moeten zien.’

‘We hebben de dader en z’n familie nog sterkte gewenst voor de uitspraak. Als je als christen leeft, hoe kun je dan beter getuigen van Gods liefde dan zelf te vergeven?’ zegt Lubbert. De dader kreeg uiteindelijk een werkstraf en rijontzegging.

Wat waren de reacties op uw ongebruikelijke pleidooi?
‘We kregen heel veel reacties op ons pleidooi voor strafvermindering,’ vertelt Lubbert. ‘Het was namelijk in alle media geweest. Sommige mensen vonden het geweldig wat we hadden gedaan, hoewel we vooral wilden laten zien hoe Gods vergeving werkt. En anderen begrepen er niets van, ook op social media werd er hard geoordeeld. We werden voor gek verklaard, men geloofde niet in vergeving. Maar ik heb er zelf nog nooit één dag spijt van gehad.’

Jannie: ‘Dat wil niet zeggen dat we onze zoon niet heel erg missen. Elke dag nog. Verdriet slijt, maar het is net de zee, het komt in golven terug. Die open wonden hebben we niet meer, maar de littekens blijven. Die schrijnen.’

Als u erop terugkijkt, wat heeft deze ervaring uzelf gebracht?
Jannie: ‘We trekken andere mensen aan met onze openheid. Mensen storten hun hart bij ons uit, ook als we denken: wat moeten we hiermee? Je moet zelf de lichtpuntjes in je leven opzoeken, de narigheid komt zomaar. Omdat mensen het niet altijd begrijpen krijg je op de vreemdste plekken allerlei gesprekken over God. Misschien is dat wel onze taak hier dat we nu verder leven om anderen tot steun te zijn en naar hun verhalen te luisteren ze zo te ontlasten,’ denkt Jannie hardop.

‘God zorgt voor ons, al zien we het niet altijd. Als het gemis van Rinse me te veel wordt dan bid ik en dan stuurt God altijd iemand. God heeft een plan met ons leven. We zijn maar kleine radertjes in het grote geheel, we moeten elkaar steunen en helpen. Zo staan we in het leven. Zo gaan we om met wat er op ons pad komt.’

Lubbert: ‘We vinden het moeilijk om er weer over te praten. Al is het dertien jaar geleden. Het verdriet is er soms opeens weer. We zagen ertegen op ons verhaal te vertellen. Maar we willen het doen tot Gods eer en om andere mensen er mee te helpen. Laten zien hoe je in het leven kunt staan. Met Gods hulp kom je door het leven, ondanks het lijden en het verdriet.’

Lubbert: ‘Ik las ergens: Als Gods Geest in je hart komt, zul je een vrede ervaren en een liefde die met geen pen zijn te beschrijven. En dat was zo! Dat hebben we ervaren in de rouwdienst. Sommigen mensen reageren daar afwijzend op, vinden dat we niet sporen, maar dat zij dan maar zo.’

Jannie: ‘We ervaren dat we kracht krijgen naar kruis. Jezus verdroeg ook alles. En wij zijn Jezus niet, maar Hij laat ons wel zien waar we heen moeten. We voelen echt dat de Heilige Geest ons op pad stuurt. We worden naar bepaalde mensen gestuurd. Daar hebben we niet altijd zin in, maar we hebben altijd goede gesprekken en dat is ook goed voor onszelf. We vergelijken onszelf weleens met Job. We worden beproefd, maar we staan positief in het leven. Dat krijgen we ook te horen: “Jullie stralen altijd iets van blijdschap uit.” Je hebt Gods hulp en troost nodig in het leven, anders red je het niet. Dat proberen we ook over te dragen.’

Hoewel ze geestelijk sterk bleven, had alles wat ze meemaakten wel een onvermijdelijke lichamelijke neerslag. Zowel Jannie als Lubbert kreeg te maken met burn-outverschijnselen. ‘Grenzen stellen, voor jezelf zorgen, pas op de plaats maken is ook heel belangrijk.’ Door wat we zelf meegemaakt hebben, zijn we gevoelig voor het verdriet van een ander. Daar hebben we oog voor, en we maken dan contact. Maar soms is dat te veel.’

Mededogen hebben met de ander.
Jannie: ‘We hopen te laten zien dat mensen ook anders in het leven kunnen staan. Met liefde en mededogen voor andere mensen. Zelfs voor hen die je wat aandoen.’

‘Dit was natuurlijk geen opzet, het was een ongeluk. Als het moord was geweest, had ik niet geweten hoe we er dan in hadden gestaan, maar misschien hadden we ook dan mededogen gehad met de dader. God ziet iedereen, wij kunnen vaak niet verder kijken dan iemands daden. Maar als je ervoor openstaat, zie je vaak meer. Als we met de hond wandelen hebben we daarom vaak bijzondere ontmoetingen en verrassende gesprekken.’

Wat willen jullie de lezers van Elisabeth meegeven?
‘Eén ding vind ik heel belangrijk,’ zegt Lubbert. ‘Laat je leven niet door wrok en haat beïnvloeden. Wees vergevingsgezind en heb mededogen.’ ‘Heb oog voor je medemens, er is veel verborgen verdriet,’ vult Jannie aan. Lubbert: ‘Probeer je in te leven in de situatie van degene die jou iets aandoet, kijk niet alleen naar jezelf, maar ook naar hoe die ander erin staat.

Jannie: ‘Meevoelen en meeleven zijn andere dingen, echt meevoelen kan niet, maar je kunt er wel zíjn voor iemand en op die manier troosten. Veel mensen vonden het moeilijk contact te leggen na Rinses overlijden. Mensen durfden ons op straat niet aan te kijken. Je kunt er zelfs vrienden door kwijtraken. Maar je hoeft niets te zeggen, het gaat om het er zíjn. Dat is liefde laten zien, juist als er pijn is en verdriet. Soms zijn woorden ook gewoon te veel.’

Tekst: © Elisabeth (Clasina de Niet)

Elisabeth is een magazine dat ingaat op actuele geloofs- en levensvragen van mensen van vandaag. Het biedt op persoonlijke manier bemoediging en steun vanuit het christelijk geloof. Dat gebeurt in een gevarieerde mix met verhalen van mensen over hoe zij het geloof vertalen naar hun dagelijks leven, met informatieve achtergrondartikelen en reportages over relevante thema’s, een pastorale vragenrubriek, herkenbare columns en gedichten. Er is ook volop plaats voor schitterende natuurfotografie, kunst, humor, psychologie en duurzaam leven. Het magazine richt zich op iedereen vanaf 50 jaar. Bent u nog geen abonnee? Bekijk dan onze abonnementen en word lid!