Home Interview Hester verhuisde van Utrecht naar Langbroek: ‘Mijn geloof is veranderd’

Hester verhuisde van Utrecht naar Langbroek: ‘Mijn geloof is veranderd’

Van de stad naar het platteland

door Caroline de Vente
Verhuizen van stad naar dorp

Vanuit de hectiek van de stad naar de rust van het platteland vertrekken: het klinkt idyllisch. In de serie Van stad naar Platteland portretteren we drie gezinnen, die de stap gezet hebben. Waarom vertrokken ze naar een dorp, wat waren hun idealen en verwachtingen? Was het een cultuurschok om van een hippe stadskerk in een gemoedelijke dorpskerk terecht te komen? En heeft het christen-zijn in een dorpsgemeenschap hen nieuwe inzichten opgeleverd? In dit eerste artikel uit de reeks van drie ontmoeten we Hester.

Van Utrecht naar Langbroek

Hester (37) verhuisde drie en een halfjaar geleden met haar gezin vanuit Utrecht naar het dorp Langbroek (nabij Doorn). Ze zochten ruimte, vrijheid, veiligheid, zodat hun vier kinderen (nu in de leeftijd van 5-11 jaar) zelfstandig naar paardrijden, logopedie, de kleuterschool konden. ‘Ik vond het enorm wennen’ zegt Hester. ‘De overgang vanuit de wijk Lombok in Utrecht was groot. Lombok is een zeer gemêleerde wijk, alle rangen, standen, religies, heel diverse sociaal-economische achtergronden. We vonden het belangrijk dat onze kinderen opgroeiden midden in de ‘echte’ samenleving. In dit spierwitte boerendorp is daar geen sprake van.’

Ze mist de Jacobi-kerk in Utrecht, met veel studenten, jonge gezinnen, mensen in dezelfde levensfase als zij. Ze genoot van de diensten en van de activiteiten erbuiten. ‘De kerk hier in Langbroek zelf sprak me niet direct aan. We kerken nu in de Maartenskerk in naburig dorp Doorn. Ondanks de hartelijkheid vind ik de vergrijzing in deze kerk moeilijk. De crêche en kindernevendienst gaan alleen door als mijn kinderen er zijn.’

Zoeken en worstelen

Hester worstelt met de inhoud en liturgie van de diensten. ‘Maar we zijn er elke zondag. De aanwezigheid van ónze kinderen trekt ook weer meer anderen naar de diensten. Maar mijn kinderen worden ook ouder, en ik zie wel dat zij geen leeftijdsgenoten hebben in dezelfde kerk. Ik vraag me af: behoud ik hen voor het geloof in deze kerk, of moeten we het toch elders gaan zoeken. Hier in Langbroek zelf hebben we wel een actieve club leeftijdsgenoten met een kinderkoor, een kinderclub van de kerk, catechisatie. Na drie en een halfjaar is het nog steeds zoeken en worstelen.

In deze vergrijsde kerkelijke omgeving is het noodzakelijk om de oecumene te zoeken in een dorp. Ik heb grote bewondering voor al die mensen die zich zo inzetten in deze dorpskerk in een seculariserende omgeving. Het is veel makkelijker in een streng-christelijk dorp of in een florerende stadsgemeente, het is echt worstelen hier.

Mijn geloof is ook echt wel veranderd. Dat is in Utrecht trouwens al wel in gang gezet. Alsof ik pas heel laat zelf ging nadenken over mijn godsbeeld. Ik ben wat minder dogmatisch gaan geloven. Ik vond het altijd heel geruststellend als iemand precies kon vertellen hoe het zat. Onze stadse gemeente was vrij rationeel en behoudend. Maar hier heb soms het idee dat ik bij het humanistisch verbond zit. Ik ontvang hier minder voeding, en ik luister nog altijd de preken van mijn oude kerk. Ik heb het idee dat het nu echt meer van mij afhangt, ik voel me eenzaam daarin. De verantwoordelijkheid is ook groter: voor zowel mijn eigen geloof als voor dat van mijn kinderen.’

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Elisabeth (2021, editie 15). Wil je ook de Elisabeth ontvangen? Neem een abonnement.

Tekst: © Elisabeth (Clasina de Niet)
Beeld: Marjan van der Meer – Pure Fotografie